Water speelt een cruciale rol in Nederland. Het is vriend én vijand. Vriend, omdat Nederland zich bijvoorbeeld tot een belangrijke zeevarende handelsnatie kon ontwikkelen. Vijand, omdat het laagliggende land ertegen beschermd moet worden met dijken, sluizen en gemalen.
 |
| Luchtfoto van Naarden. Naarden - van groot belang voor de verdediging van Amsterdam - kreeg na 1673 zijn vestingwallen met dubbele gracht. |
Deze technieken zorgden er tevens voor dat het water ook bondgenoot kon worden. Door polders onder water te zetten, te inunderen, konden vijandelijke aanvallen worden gestopt. Een doeltreffende tactiek die al in de zestiende eeuw in de vrijheidsstrijd tegen Spanje zijn vruchten afwierp.
 |
| Een van de inundatiesluizen bij Asperen in werking tijdens de mobilisatie van 1939 - 1940. De sluizen hebben waaierdeuren, waardoor de sluis tegen hoog water in geopend kan worden. |
Hollandse Waterlinie
Werd deze tactiek aanvankelijk rond steden toegepast, al snel ontstond het plan om door middel van een reeks inundaties een waterlinie te creëren ter bescherming van de steden in het westen. Pas in het 1672, toen het Franse leger Nederland binnenviel werd het uitgevoerd. Met veel tegenwerking van bevolking en overheden werden grote gebieden geïnundeerd. Van de Zuiderzee bij Muiden in het noorden tot Gorinchem en het land van Altena in het zuiden, met een breedte van twee tot twintig km. Op strategische punten lagen versterkingen en forten. De waterlinie bleek succesvol: de grote steden in het westen bleven gespaard en met de verovering van Naarden, eind 1673, was de strijd gewonnen.
In de hieropvolgende jaren werd koortsachtig gewerkt aan de versterking van de waterlinie: schansen werden aangelegd, sluizen verbeterd, vestingsteden gemoderniseerd of nieuw gebouwd. Dat de waterlinie ook zwakke kanten had, bleek in 1794/5, toen de Fransen opnieuw binnenvielen. De strenge winter speelde de vijand in de kaart: over ijs kon Nederland moeiteloos worden veroverd.
 |
De Nieuwe Hollandse Waterlinie |
Nieuwe Hollandse Waterlinie
Tijdens de Franse overheersing in de achttiende eeuw ontstonden de plannen voor een beter beheersbare en versterkte Nieuwe Hollandse Waterlinie. Voor het westen van het land bleef dit het beste verdedigingsmiddel. De nieuwe waterlinie, zestig km lang en tot vijf km breed, liep van de Zuiderzee via Utrecht, dat nu binnen de linie lag, en Gorinchem tot aan de Biesbosch. Het bestond uit zes inundatiegebieden, waterkeringen en inlaatpunten, die evenals de dijken, steden en andere niet te inunderen plaatsen beschermd werden door 68 forten en andere verdedigingswerken. De aanleg nam een groot deel van de negentiende eeuw in beslag. In 1815 gingen de werkzaamheden van start met de bouw van vijf inundatiesluizen naar ontwerp van Jan Blanken. Kort daarop werden de verdedigingswerken bij Utrecht gebouwd. In de tweede fase (1840-'60) werden bestaande fortificaties gemoderniseerd door het aanbrengen van 'bomvrije' gebouwen en ronde torens van zwaar metselwerk.
Door de snelle ontwikkeling van de gevechtstechnieken werden de verdedigingswerken voortdurend aangepast. Zo bleef de waterlinie tot in de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd.
 |
| Een oefening van een batterij veldartillerie in een geïnundeerd gebied |
Marleen Dominicus - van Soest
Bekijk panorama's
 |
 |
| De Linge en Fort Asperen |
De inundatiesluis |
Klik op de afbeeldingen om de panorama's te starten, hiervoor is QuickTime nodig. Klik hier voor meer informatie.