zoeken
mail a friend








Landbouw en visserij

Projectpakket De Gouden Eeuw

Watermolens werden gebruikt om energie op te wekken Jacob van Ruisdael
Watermolen
Ca. 1657-1659
Rijksmuseum, Amsterdam 

Door de bevolkingstoename steeg de vraag naar voedsel en werd op grote schaal geļnvesteerd in landbouw en veeteelt. Om land hiervoor te winnen, werden grote plassen water ingedijkt, drooggemaakt en ingepolderd. Beemster polderde men in 1612 in, Purmer in 1622 en Schermer in 1635. Deze polders werden drooggemalen met behulp van windmolens. Ze leverden niet alleen de kracht om het water uit de polders te verwijderen, maar ook de energie voor tal van andere toepassingen, zoals houtzagerijen. Aan de Zaan werden honderden molens gebouwd die de Zaanstreek van een agrarisch gebied in een industriegebied veranderden. Niet overal deelde het platteland in de welvaart.       

Het Oosten van het land met de minder vruchtbare zandgronden, bleef achter bij de ontwikkelingen in het Westen en Noorden. Heel belangrijk voor de handel en de werkgelegenheid was de visserij. De haringvisserij was een specialiteit van de vissers uit de Hollandse steden aan de Maas en de Zuiderzee. De haringen werden op zee schoongemaakt en gezouten en aan wal verder bewerkt. Zoute haring was een van de voornaamste exportartikelen. Het was van oudsher een van de pijlers van de Nederlandse handel.

Hoofdartikel:
De Gouden Eeuw

Zie ook:
Instelling:
Rijksmuseum Amsterdam

Publicatiedatum:
12 maart 2004